NAC werd voor de start van de competitie door talloze analisten als ‘degradatiekandidaat’ bestempeld. Maar na een zwakke voorbereiding en een 4-1 nederlaag bij de ouverture tegen FC Groningen heeft Carl Hoefkens (46) zijn ploeg in Breda aardig op de rails en bivakkeert de club in de middenmoot. De Belg legt in zijn kantoor op het trainingscomplex in Zundert uit wat zijn ‘hybride’ spelsysteem inhoudt. Hij geeft aan welke factoren naar zijn voetbalfilosofie hebben geleid en is niet terughoudend. ‘Ik ben heel open. Over het algemeen denken trainers dat hun manier van voetballen na zo’n uitleg meteen door iedereen overgenomen gaat worden. Maar de essentie van alles is hoe je bent en hoe je je visie kunt overbrengen op een spelersgroep.’
Dit stuk bevat passages uit een groter artikel uit De Voetbaltrainer 287.
Verschillende manieren van spelen
Carl Hoefkens, als speler 22 keer Rode Duivel, groeide op in de Belgische voetbalcultuur. Die bracht met Raymond Goethals en Guy Thys topcoaches voort die een andere visie verspreidden dan de Nederlandse.
Carl Hoefkens: ‘Natuurlijk hebben dergelijke grote namen invloed. Maar in België zijn we minder fier op het systeem. In Nederland is bij sommige clubs en het nationale team het 1:4:3:3-systeem heilig. Slechts incidenteel wordt daarvan afgeweken. In Engeland is het heel lang 1:4:4:2 geweest. Dat was het houvast. Dat heb je in België niet. Binnen Eerste Nationale tref je diverse tactieken en visies aan. Er worden heel veel verschillende systemen gespeeld. Het Belgische voetbal is directer en agressiever. Dat is de manier waarop in Europa resultaten gehaald worden.
In Nederland, Spanje of Italië is het not done om een buitenlandse bondscoach te hebben. Dat kan ik enorm waarderen. Buitenlandse trainers domineren ook de Belgische competitie. In sommige jaren was dat zelfs heel extreem. Je moet toch proberen iets meer van de identiteit van je land te waarborgen. Een bondscoach uit eigen land is een enorm voordeel.’
Hybride uitgangsformatie
‘In balbezit spreek ik graag van een hybride uitgangsformatie. Voor mij lopen 1:3:4:3, 1:3:5:2 en 1:4:3:3 vloeiend in elkaar over. In het voorbeeld dat ik hier laat zien, de uitwedstrijd in de Champions League in 2022 met Club Brugge in Porto (0-4 overwinning), zien we diverse uitgangsformaties binnen dertig seconden voorbijkomen. Dat heeft vooral te maken met het positiekiezen van een aantal spelers zoals de (wing)back, centrale middenvelder en/of de spits. Alle posities hebben daarbij met elkaar te maken, omdat iedereen zich altijd voortdurend moet aanpassen qua positie. Het grote voordeel van deze kwaliteit van een team is dat het ontzettend moeilijk onder druk te zetten is door de tegenpartij. En dat was net de bedoeling. Club Brugge was tot die tijd wel vaker te vinden in de Champions League, maar was eigenlijk nooit in staat geweest een rol van betekenis te spelen. En dan bedoel ik vooral in balbezit. Wanneer je als team niet in staat bent om de bal enige tijd in bezit te houden, kom je altijd onder druk te staan. Ik hecht daarbij veel waarde aan passing over korte afstand en op tempo (aannemen-spelen). Die passes zijn moeilijker door de tegenstander te lezen. Een bal die langer onderweg is, is veel eenvoudiger te volgen.’
Fluïde principes
‘Het vergt natuurlijk wel heel wat trainingstijd om een team volgens deze fluïde principes te laten spelen. Het maakt voor mij niet uit of we het dan over Club Brugge of NAC hebben. Het is een proces en dat heeft tijd nodig. Dit ga je niet na één of twee maanden perfect uitvoeren. Je gaat ermee aan de slag en moet ondertussen voldoende resultaten blijven halen. Bij NAC is dat absoluut niet anders. Je kunt echt niet bij elke club hetzelfde eisen van spelers. Je moet inschatten hoe dominant je kunt en wilt zijn, zonder de stabiliteit als team te verliezen. Zonder te veel te gaan roteren in posities waardoor we kwetsbaar worden bij balverlies. Dat is het grote verschil tussen Club Brugge toen en waar NAC nu nog is. We willen zoveel mogelijk beweging zonder balverlies op de verkeerde posities. Dat is cruciaal. Dat maakt elke ploeg mee en maakt elke ploeg soms kwetsbaar. Het moet er uiteindelijk ingeslepen zitten dat we proberen om de tegenstander te lokken om vervolgens zelf een vrije speler aan de flank of in de as te krijgen. Je wilt individuele tegenstanders graag uit hun positie lukken. Een 10 die op 6 uitkomt, een spits die gedwongen wordt in te zakken etc. Als je dit in balbezit lukt, maak je jezelf ook minder kwetsbaar in de omschakeling na balverlies. Een algemene trainingsvorm die we in dit voorbeeld gebruiken is het positiespel 7:7 + 2 neutrale spelers + 2 keepers. (zie trainingsvorm 1)


Leer van de beste trainers
- Acht keer per jaar op de mat
- Interviews, oefenstof en analyses
- Korting op online cursussen
- LCD Tactiekbord Voetbal cadeau
- Inclusief abonnement op CoachVak
- Inclusief abonnement op VBT Basis