Raymond van Meenen: Regels toepassen met gezond verstand

Jelmer de Zwart

5 min leestijd

Behalve mede- en tegenspelers, de bal, het veld en het doel is er nog een factor die tijdens de wedstrijd een rol speelt: de scheidsrechter, met in diens verlengde de spelregels. Soms gewaardeerd, maar minstens even vaak bekritiseerd. Met ‘scheidsrechtersbaas’ Raymond van Meenen praten we in deze editie van De Voetbaltrainer over de rol van de arbiter en wat zijn tools zijn om de wedstrijd te managen. Met als doel om bij te dragen aan kennis bij onze doelgroep, de trainers, en toename van het onderlinge begrip.

Dit stuk bevat passages uit een groter artikel uit De Voetbaltrainer 291.

Kennis vergroten

Wat wordt er gedaan om de trainers en spelers voorafgaand aan een seizoen bij te praten over de spelregels en eventuele wijzigingen daarin?

Raymond van Meenen: ‘Voor elke bvo hebben we de Richtlijnen Arbitrage aan het begin van het seizoen. Dit is een manier om trainers en spelers bekend te maken met wat de richtlijnen en de afspraken zijn: hoe gaan we om met protesten, hoe is de handsregel precies, wanneer levert een tackle een kaart op – dat soort dingen. Verder is er een Klankbordgroep Arbitrage waar een aantal clubdirecteuren (Algemeen Directeuren en Technisch Directeuren) zitting in heeft. Ik bezoek verder veel wedstrijden waar ik mensen spreek en dingen kan verduidelijken. Tot slot accepteer ik graag een uitnodiging van organisaties als CBV om daar te presenteren en duidelijkheid te geven over regels en richtlijnen. Ook daar kunnen we het gesprek voeren en de kennis over de spelregels en richtlijnen bijvoorbeeld bij trainers vergroten.’

Afstemming met de technische staf

Is er rondom wedstrijden structureel iets geregeld zodat scheidsrechters en de technische staf van beide clubs elkaar ontmoeten teneinde afspraken te maken?

‘Er is geen structurele afspraak, maar we moedigen aan dat scheidsrechters en trainers elkaar voor de wedstrijd wel even een hand geven en succes wensen. Men kent elkaar doorgaans wel, dus dat hoeven we niet op te leggen. De scheidsrechter kan daarin handelen zoals het bij hem past. De sfeer is dan nog rustig, en dat maakt het een goed moment voor een kort, informeel gesprek. Dat kan ook over informele dingen gaan. Soms gaat dat snel, een ander neemt er iets meer tijd voor.

De wijze waarop je optreedt, is sowieso erg afhankelijk van je persoonlijkheid en ook van je ervaring. We merken soms dat de acceptatie van jonge scheidsrechters nog niet altijd op het niveau is van de ervaren arbiters. Dan komt wedstrijdmanagement om de hoek kijken: hoe handel je effectief en voorkom je onnodige confrontaties? Wij adviseren wat minder ervaren scheidsrechters bijvoorbeeld om zo weinig mogelijk de confrontatie met trainers aan te gaan. Indien een trainer een gele kaart moet krijgen, hoef je niet per se kort voor hem te gaan staan en hem als het ware die kaart onder zijn neus te duwen. Vaak levert dat een tegenreactie van de trainer op. Het is in zo’n geval beter om richting de trainer te lopen. En dan van enige afstand duidelijk die kaart te tonen en vervolgens weg te lopen en je werk te vervolgen. Zo heb je duidelijk gemaakt dat het gedrag niet getolereerd wordt, maar voorkom je een onnodige confrontatie.’

Teugels laten vieren

In het kader van dat ‘voorkomen van …’, het volgende. We hoorden enige tijd geleden een scheidsrechter zeggen: ‘Soms vind ik iets geen overtreding maar fluit ik er toch voor, omdat ik meer commotie verwacht als ik níét fluit dan wanneer ik wél fluit.’

‘Het punt is hier: een overtreding is niet een wiskundig iets. Je kunt het niet in alle gevallen objectief vaststellen, er komt vaak interpretatie bij. Er is een grijs gebied. Daarin kan de ruimte zitten om, afhankelijk van het verloop van een wedstrijd, een bepaalde actie wél of juist níét af te fluiten. Je kunt je voorstellen dat er in een gespannen wedstrijd een heel lichte overtreding wordt gemaakt (of misschien net níét een overtreding). En dat het vanwege de sfeer in die wedstrijd verstandig is om ervoor te fluiten. Terwijl als de wedstrijd rustig verloopt en de acceptatie in het veld is groot, je diezelfde situatie zou hebben laten gaan. Dat is het aanvoelen van een wedstrijd. Zie je een overtreding die klip en klaar is, dan moet je daar natuurlijk altijd voor fluiten. De enige reden waarom je dan soms niet fluit, is omdat je voordeel geeft. Maar voetbal is een contactsport en er zijn in een wedstrijd talloze situaties waarvoor je kúnt fluiten, maar dat het niet per se nodig is. Dat zijn de momenten waarop je moet inschatten wat kan binnen die wedstrijd. Tegelijkertijd moet je daar in diezelfde wedstrijd wel consistent in zijn. Wat je in de eerste helft tolereert, moet je in de tweede helft ook toelaten – tenzij de omstandigheden duidelijk veranderen. Het verloop van een wedstrijd kan ervoor zorgen dat je gaandeweg de teugels meer kunt laten vieren.’

Cover: De Voetbaltrainer editie 279, 2024

Leer van de beste trainers

  • Acht keer per jaar op de mat
  • Interviews, oefenstof en analyses
  • Korting op online cursussen
  • LCD Tactiekbord Voetbal cadeau
  • Inclusief abonnement op CoachVak
  • Inclusief abonnement op VBT Basis

Abonneer je op het vakblad >>