René van der Kooij (Rijnsburgse Boys): Roulatievoetbal tijdens het opbouwen

Jelmer de Zwart

3 min leestijd

René van der Kooij is trainer van tweededivisionist Rijnsburgse Boys. Tijdens het Nationaal Voetbalcoach Congres, waar ook de Rinus Michels Awards werden uitgereikt, nam de Maaslander een interactieve workshop over het thema ‘opbouw’ voor zijn rekening. Hij deed daarin een aantal suggesties in het kader van zet en tegenzet.

Dit stuk bevat passages uit een groter artikel uit De Voetbaltrainer 293.

1-op-1 of +1

René van der Kooij: ‘De belangrijkste zaak waar ik naar kijk als het gaat om de eigen opbouw van achteruit is of de tegenpartij achterin 1-op-1 staat of uitkomt, of dat ze het op +1 houden. Als je weet dat de tegenpartij in principe niet doordekt, dan weet je dat je ergens anders op het veld in ieder geval een overtal hebt ‘om te kunnen voetballen’. Over het algemeen kan op diverse manieren worden drukgezet:

  • Met 7/9/11.
  • Met 7/9/10/11.
  • Met 9/10.
  • Met 7/9 of 9/11.
  • Overal 1-op-1 (koppeltjes).
  • Inzakken eigen helft in 1:5:4:1 of 1:4:4:2.

Voor dit verhaal ga ik voor het overzicht voornamelijk uit van de eerste drie opties.’

Spelintenties

‘Om het opbouwen/aanvallen verder uit te werken, vind ik het prettig om uit te gaan van een aantal spelintenties.

  • +1 creëren: dit kan overal op het veld zijn, in elke linie. Als de tegenpartij met 7-9-11 drukzet, dan heb je de +1 al in het eigen zestienmetergebied bij je centrale verdedigers. Zet de tegenpartij met 9 en 10 druk, waar vind je dan de +1 over het algemeen? Dan kan het zomaar zijn dat een back dieper gaat, de flankaanvaller van de tegenpartij meeneemt en dat onze nummer 6 uitzakt om een overtal te maken. En dan ontstaat er een sneeuwbaleffect: dekt een middenvelder van hen op onze 6 door? Dan hebben wij een of meer speler(s) vrij op het middenveld. Durft men vervolgens door te dekken vanuit hun centrale verdedigers op ons middenveld? Ik zie dit als een schaakwedstrijd van zet en tegenzet. (tekening 2)

Technisch breekpunt

‘In mijn ideale trainingsvorm werken we op het technisch breekpunt. Dat is een term uit het tennis. Wat is de mate van complexiteit zodat de speler het net wél of net níét aankan? Dit wetende, geven we een pass- en trapvorm vaak onder of boven het technisch breekpunt? Ver daaronder. Ik houd van partijspelen +1. Dus bijvoorbeeld op een half speelveld 8:8+1 neutrale speler, en eventueel met keepers. (tekening 7) Je mag ‘gewoon’ scoren met alle spelregels die er normaal ook zijn, maar je kunt ook een punt verdienen door een x-aantal keren over te spelen. Het ondertal kan dus niet volstaan met het dichthouden richting het eigen doel, want ze zullen ook moeten drukzetten om de tegenpartij niet ongestoord te laten overspelen.’

rene van der kooij
Cover: De Voetbaltrainer editie 279, 2024

Leer van de beste trainers

  • Acht keer per jaar op de mat
  • Interviews, oefenstof en analyses
  • Korting op online cursussen
  • LCD Tactiekbord Voetbal cadeau
  • Inclusief abonnement op CoachVak
  • Inclusief abonnement op VBT Basis

Abonneer je op het vakblad >>