Bart Benneker: Trainen van voetbalconditie

Paul Geerars

26 min leestijd

In Nederland is bijna elke trainer bekend met het model van Raymond Verheijen. Veel trainers lopen echter tegen praktische problemen aan bij de uitvoering ervan. Bart Benneker, hoofdtrainer van VV Hellendoorn, legt uit hoe hij dit model in de praktijk brengt en hoe hij bepaalde knelpunten oplost.

Visie

Bart Benneker: ‘Ik gebruik normaliter het zesweekse periodiseringsmodel van Raymond Verheijen. Vooraf heb ik de criteria opgesteld waar in mijn ogen een voetbalconditionele training (VCT) aan moet voldoen. Deze criteria bestaan uit zes afwegingen.
Ten eerste moet je een keuze maken tussen de wedstrijd en de training. Welke is voor jou leidend? Voor mij is dat de wedstrijd. Het programma en de invulling van de training moet afgestemd zijn op het wedstrijdprogramma. Ten tweede kun je het model afstemmen op het team of op het individu. Ik heb daar de keuze gemaakt om vooral naar het individu te kijken. De derde afweging is hoe je de belasting meet: doe je dit objectief of subjectief? Objectief betekent hierbij dat je metingen doet en data verzamelt en op basis daarvan bepaalt hoe zwaar de training is. Subjectief houdt in dat je spelers zelf laat bepalen hoe zwaar ze de training vinden. Ik kies ervoor om dit subjectief te meten. De spelers vullen voor en na elke training een korte enquête van twee vragen in. Bij aanvang van de training hebben de vragen betrekking op de mate waarin spelers zich hersteld voelen. Na de training vragen we hoe intensief de training voor de spelers is geweest. Wij doen dit op basis van de RPE-schaal (zie tabel). Op basis van deze gegevens kunnen we het programma van individuele spelers aanpassen.
De vierde afweging is of de conditionele ontwikkeling of de voetbalontwikkeling centraal staat. Het voetbal moet in mijn ogen altijd centraal staan. Bij VCT kom je vaak in dezelfde partijvormen terecht. Door de accenten steeds enigszins te verleggen zorg je ervoor dat de partijen aansluiten bij de ontwikkeling van je speelwijze. Afweging nummer vijf is of je gaat voor omvang of intensiteit. Ik kies daarin voor intensiteit. Wij trainen anderhalf uur, of een uur en drie kwartier, maar dat moet niet ineens twee uur worden. In die anderhalf uur wil ik meer doen dan de vorige keer, maar ik ga niet langer trainen. Tot slot is de zesde afweging of het atletisch vermogen afgestemd is op de voetbaltraining of de training op het atletisch vermogen. Ik stem het atletisch vermogen af op de voetbaltraining. Wij hebben bijvoorbeeld geregeld een klein blokje waarin de medische staf bepaalde oefeningen doet zoals nordic hamstring curls. Ik vind dat die oefeningen dan wel in een logische relatie moeten staan tot de ontwikkeling van die specifieke speler. Hij moet beter in staat zijn voetbalhandelingen uit te voeren. Van een nordic hamstring curl zelf ga je niet per se beter voetballen, maar je bent misschien wel in staat om vaker of explosiever te handelen en je voorkomt blessures.

De Rate of Perceived Exertion schaal.

Het zesweekse periodiseringsmodel van Verheijen
Week 1+2: EVV en grote partijen (8:8-11:11)
Week 3+4: Voetbalsprints met weinig rust en middelgrote partijen (5:5-7:7)
Week 5+6: Voetbalsprints met veel rust en kleine partijen (3:3-4:4).

De afwegingen bij VCT training

Afweging 1: Wat is leidend: wedstrijd of training?
Afweging 2: Stem je het model af op het team of het individu?
Afweging 3: Meet je de belasting objectief of subjectief?
Afweging 4: Wat staat centraal: conditionele ontwikkeling of voetbalontwikkeling?
Afweging 5: Ga je voor omvang of intensiteit?
Afweging 6: Atletisch vermogen afstemmen op de training, of de training op het atletisch vermogen?

In de voorbereiding kies ik voor een drieweekse cyclus. Door alle oefenwedstrijden ontstaan er veel neutrale weken, waardoor ik pas in week 13 voor het eerst kleine partijen (3:3/4:4) kan doen. Dat vind ik te laat. Door in het begin voor een drieweekse cyclus te kiezen zorg je ervoor dat je alle weken in ieder geval een keer hebt gedaan. Bij een drieweekse cyclus laat ik week 1, 3 en 5 van het model terugkomen. Voor komend seizoen heb ik bijvoorbeeld de keuze gemaakt om met deze drieweekse cyclus te starten, in die eerste drie weken spelen wij dan nog geen oefenwedstrijden. In deze weken doe je voornamelijk de nulmetingen, maar de spelers hebben wel alle afmetingen een keer voorbij zien komen voor de competitie begint.’

Week 1 en 2

‘Ik werk altijd met een weekdoelstelling. De VCT-vormen vallen ook binnen deze doelstelling. Voorafgaand aan deze VCT-vormen doe ik een oefen-leerfase in dezelfde formaties. Ik zet tijdens die fase de tegenstander neer. Op dat moment heb ik immers nog de mogelijkheid om situaties stop te zetten. Ik ga alle spelers kort langs en vertel ze waar ze staan en wat ik wil dat ze gaan doen: ‘Jij begint als 3 en ik wil dat je door de as opbouwt.’ Zo’n oefen-leerfase kan zo lang duren als je zelf wilt. Binnen de KNVB wordt vaak uitgegaan van 20-25 minuten, maar als ik het binnen tien minuten heb staan, kan ik meteen door. Zeker wanneer je verder in het seizoen komt, is dit belangrijk. Stel dat je bij stap 10 aankomt en drie keer veertien minuten gaat spelen. Als je dan van tevoren nog 25 minuten oefen-leerfase gaat doen, ben je bijna de volledige training kwijt en heb je geen tijd meer voor andere dingen.

Staat de tegenstander, dan neemt mijn assistent de coaching van dat team over. De tegenpartij is verder vrij in welke keuzes ze maken, mits ze binnen de neergezette formatie en speelwijze blijven. Het te coachen team moet ervoor zorgen dat ze op zo’n manier verdedigen dat de situatie die we voor de training met beelden of op het bord hebben laten zien daadwerkelijk gebeurt op het veld.

In week 1 en 2 kies ik meestal voor 9:9 tot 11:11, waarbij ik in ieder geval de volledige lengte van het veld gebruik. Binnen deze vormen werk ik met een rood kader (afbeelding 1). In dat rode kader staan de hoofdrolspelers voor die vorm. In deze vorm willen wij hoog drukzetten vanuit een 1:3:5:2 formatie. De buitenspelers kiezen positie tussen de centrale verdediger en de back. Het doel is om de bal naar de as te dwingen en deze uiteindelijk te veroveren bij de 6 van de tegenstander. Tijdens deze training ga ik in principe alleen iets zeggen over de spelers in dit vierkant. Hoe moet die 11 aanlopen, wanneer moet 10 door en wat gaat onze 5 doen? De kunst is om op dat moment de rest even te laten gaan. Je moet veel zeggen over weinig, in plaats van weinig zeggen over veel.

Je moet veel zeggen over weinig, in plaats van weinig zeggen over veel

Trainingsvorm 1: De rode partij zet vanuit een 1:3:5:2-formatie druk op het blauwe team. Het doel is daarbij om de bal naar de as te dwingen en hem daar te veroveren.

De week erna doen we grotendeels dezelfde vorm, maar dan verplaats ik het rode vierkant verder naar achter (afbeelding 2). De 11 en de 5 geven nog steeds op dezelfde manier druk, maar ik ga me nu focussen op wat die 4 en die 3 op dat moment doen.

Trainingsvorm 2: De rode partij zet druk op de blauwe partij vanuit een 1:3:5:2-formatie. Waar de focus eerst lag op de buitenspeler en de back, verschuift deze nu naar de back en de centrale verdedigers.


Bij beide vormen is op dit moment een kant eraf gehaald. In de weken die erop volgen zal ik er dan meestal voor kiezen om hetzelfde concept nog een keer te trainen, maar dan over de andere kant. Ik ben er zelf geen voorstander van om in de VCT te kiezen voor schuine lijnen. Je zou er bijvoorbeeld voor kunnen kiezen om in trainingsvorm 2 het veld af te laten lopen vanaf de middenlijn richting het vijfmetergebied. Er staat immers geen centrale verdediger aan die kant. Ik kies daar niet voor, omdat het naar mijn idee niet wedstrijdecht is. Wanneer rood de bal wint, worden zij namelijk ineens beperkt in hun opties door de schuine lijn. In een oefen-leerfase zou ik daar wellicht wel voor kiezen, maar niet in een VCT-vorm. Dit gaat namelijk ten koste van de wedstrijdechtheid en daarmee van de conditionele handelingen.

Bij de grote partijvormen zit een rust van twee minuten tussen de herhalingen in. Tijdens deze rust mogen de spelers beslist niet gaan drinken. Je staat dan namelijk nooit op tijd klaar om na twee minuten weer verder te gaan. Stel dat we beginnen met twee keer twaalf minuten, dan is het na twaalf minuten echt stoppen en blijven staan in positie. Het is immers het enige moment dat ik als trainer heb om iets situatief en met een voorbeeld met bal aan te geven. Aangezien je alleen een korte rust hebt is het belangrijk dat je tijdens de training goed observeert en er één situatie uithaalt die je wilt bespreken in de rust. Het is dus ook niet zo dat de situatie zoals hij staat op het moment dat we gaan rusten het moment is dat ik bespreek. Ik bouw de situatie van enkele minuten daarvoor na, omdat dat de situatie is die ik wil bespreken.

Binnen deze rust mogen de spelers beslist niet gaan drinken

Gaat de bal uit aan de kant waar het veld is afgesneden, dan laat ik de bal inspelen op de plek waar de doelstelling begint. Aangezien de afgesneden kant een onnatuurlijke kant is, verander ik daar de spelregels. Aan de andere kant zijn het de normale spelregels, dus met een inworp. Wel zorgen we ervoor dat er voldoende ballen liggen om direct door te spelen. Corners laat ik meestal niet nemen. Het duurt vaak al een minuut voordat er iemand bij de bal is en dan gaan de spelers rust pakken bij de corner. Dat is niet de bedoeling. Vandaar dat ik die meestal bij de keeper laat nemen.

Bij de explosiviteitsvoorbereidende vormen (EVV) moeten de spelers een stuk joggen op een bepaalde snelheid en dan rust houden. Die rustmomenten zijn vrij lang. Ik kies er daarom voor om de spelers tijdens de rustmomenten een oefening te laten doen die in het teken staat van onze speelwijze, bijvoorbeeld een rondo of een positiespel.

Een principe bij ons is dat wij de bal naar de as willen dwingen. Ik deel mijn team in tweeën en zet twee veldjes uit. Bij die veldjes staan drie pionnen met een bal erop in het midden. De bedoeling is dat de verdedigers de aanvallers dwingen om die ballen eraf te schieten. Wij willen de bal immers door de as hebben. Nadat de rust voorbij is moeten de spelers naar het andere vak toe en daar weer verdergaan.

Tijdens het seizoen horen bij week 1 en 2 de EVV van 8 x 40 meter op tachtig procent met veertig seconden rust en 9 x 30 meter op negentig procent met dertig seconden rust. Bij veertig seconden rust kun je nog prima zo’n vorm doen in het rustmoment. Bij dertig seconden wordt dat lastiger. Je moet tien seconden voor tijd de spelers namelijk weer klaar laten staan. Tijdens het rustmoment laat ik ze dan even met een bal pielen, maar we doen geen oefeningen meer tussendoor.’

Knelpunten

Geen heel veld beschikbaar of te weinig spelers
‘Als je de aantallen hebt maar je hebt geen heel veld beschikbaar, dan ga je de conditionele prikkel niet op een half veld redden. Tenminste, niet in een partijvorm. Bij de VCT-vormen heb je de bijbehorende intervalloopjes. Je zou met behulp van de afstanden uit die intervallopen een afwerkvorm of pass- en trapvorm uit kunnen zetten. Op die manier behalen de spelers toch de prikkel. Je moet er dan wel voor zorgen dat je voldoende variatie in de vormen brengt. Twee keer twaalf minuten een sjabloonvorm doen is heel lang. Dit is dus meer een noodoplossing. Daarnaast kan dit een oplossing zijn voor jeugdteams. Die hebben vaak een half veld, maar die hebben meestal ook niet genoeg spelers voor de grote partijen. Dan kan het een optie zijn om de prikkel te halen met behulp van de intervallopen en dat te verwerken in bijvoorbeeld een afwerkvorm.’

Je hebt te veel spelers
‘Wanneer ik te veel spelers heb, gebruik ik ook de intervalvormen (afbeelding 3). Stel dat ik drie spelers te veel heb, dan laat ik hen aan de zijkant van het veld de intervalvormen doen. Communicatie is hierin erg belangrijk. Spelers willen voetballen, dus als je een oneven aantal hebt roepen zij al snel dat het ook wel met een neutrale speler kan. Als trainer is het dan belangrijk om goed uit te leggen dat dat funest is voor de tactische principes. De speler die de loopjes moet doen, is altijd een speler die die week geen hoofdrolspeler is. Daarnaast wisselt hij tussen de blokjes met een speler uit het veld. Op die manier komt iedereen wel een keer aan bod in het seizoen. Doe je dat met alleen het loopwerk, dan raken de spelers snel gedemotiveerd. Ze zitten immers niet op atletiek. De kunst is dus om een vorm voor hen te maken waarin ze aan het voetballen zijn, maar ook die prikkel krijgen. Je kunt dit doen door bijvoorbeeld een doel met een derde keeper daar neer te zetten, of door er fungames aan toe te voegen. Dit kan bijvoorbeeld door kleine doeltjes neer te zetten waar ze de bal van verschillende afstanden in kunnen schieten. Dan creëer je meteen een wedstrijdelement.’

Je hebt geen assistent-trainer
‘Als je geen assistent-trainer hebt, zul je zelf meer tijd aan de niet te coachen ploeg moeten besteden. Aan de oefening en uitvoering verandert niet zoveel. Het gevolg is alleen dat de kwaliteit minder wordt. Je kunt dan het hele eerste blokje kwijt zijn aan het neerzetten van de tegenstander. Toch is dat noodzakelijk. Doe je dat niet, dan ga je een andere situatie trainen en kom je niet in de doelstelling.’

Je hebt maar één keeper
‘Een optie is om in het grote doel twee kleine doeltjes neer te zetten. Je kunt dan de zestienmeter doortrekken in de breedte en als regel instellen dat er pas van achter die lijn gescoord mag worden. Daarnaast kun je bijvoorbeeld zeggen dat direct uit een pass gescoord moet worden. Op die manier zorg je ervoor dat spelers niet vanaf de middenlijn gaan proberen in een van de kleine doeltjes te schieten. Je kunt de doeltjes ook zo neerzetten dat ze bijdragen aan je doelstelling. In trainingsvorm 2 wil ik niet dat de tegenstander de bal langs de lijn speelt. Ik zou dan een klein doeltje bij de cornervlag neer kunnen zetten. Speelt de tegenstander dan de bal in de ruimte achter de back, dan kunnen ze gelijk scoren. Het doeltje biedt daardoor weer een extra noodzaak om de bal naar de as te dwingen.’

De intervalvorm van week 1 en 2.

Week 3 en 4

‘Bij de middelgrote partijen 7:7/5:5 kies ik er ook voor om voorafgaand aan de VCT een oefen-leerfase te doen. Daarin begin ik groot, bijvoorbeeld 9:9. Vervolgens maak ik het veld kleiner en haal ik enkele spelers weg (afbeelding 4). Net zoals bij de grote partijen zet ik eerst de tegenstander neer. Staan die, dan neemt mijn assistent-trainer hun coaching over. Belangrijk is dat de spelers zich realiseren dat de VCT-vorm een verlengde is van de oefen-leerfase. Daar kun je ze ook over bevragen: ‘Mannen, wat is er veranderd?’ Spelers zien dan zelf dat er twee spelers af zijn gegaan, maar dat er verder niets veranderd is.

Trainingsvorm 3: De rode partij valt aan vanuit een vereenvoudiging van een 1:3:6:1-formatie. De intentie is om via de flankspeler in de zone aan de zijkant van het zestienmetergebied te komen. De spits moet de centrale verdediger binden om ruimte te maken voor de 11.


De spelers die ik weghaal vanuit de oefen-leerfase doen de bijbehorende intervalloop aan de zijkant. De intervalloop bij middelgrote partijen is een stuk intensiever dan die van de grote partijen en de blokjes zijn veel korter (afbeelding 5). Spelers vinden het hierdoor minder vervelend in vergelijking met week 1 en 2, maar wel zwaarder. We zorgen er wel weer voor dat de intervalloop wordt gebruikt in een oefening. Ideaal is het als je qua aantallen zo uitkomt dat je na elk blokje de niet te coachen ploeg kunt wisselen. Die luxe hebben wij meestal. Hiermee los je direct het probleem op als je qua aantallen niet lekker uitkomt. Stel dat ik er vijf over heb in plaats van zes, dan wissel ik na een blokje vijf spelers. Eén speler blijft dan staan.

Ik pak de spelers die de intervalloop doen er wel bij tijdens de rust tussen de blokjes. Met de teams die in het veld staan bespreek ik weer een situatie. De overige spelers staan naast het veld zodat ze kunnen zien wat er besproken wordt. De assistent-trainer staat bij hen om te vertellen welke situatie zich voordoet en wat er zo van hen verwacht wordt.

De eerste twee blokjes coach je nog voornamelijk op tactiek. Naarmate je bij blokje 3 en 4 aankomt, gaat het meer om het volhouden van handelen. Je stapt dan meer over op stimulerende coaching. Het is daarom belangrijk dat je als trainer je stemgebruik en je manier van coachen daarover verdeelt. Als je de hele tijd actief en enthousiast staat te coachen, worden de spelers daar vanzelf doof voor. Vergelijk het met een rustbespreking. Als je elke keer een donderspeech geeft, dan valt het effect weg. Doe je het maximaal drie keer per jaar, dan verras je de spelers ermee. Het rode vierkant helpt hier ook bij. Het zorgt ervoor dat ik actief coach als de bal daar is. Is de bal ergens anders, dan geeft mij dat de kans om even te observeren. In blokje 3 en 4 kun je wel nog prima een individuele speler bij je roepen om hem persoonlijk wat mee te geven. Op dat moment laat ik het rode vierkant los. Het is immers een VCT. Dus mijn doel is dat iedereen de prikkel haalt, ook het niet te coachen team. Stel dat de 3 en de 4 van die ploeg niet meer aansluiten, dan ga ik voornamelijk hen coachen.

De intervalloop voor week 3 en 4 boven en van week 5 en 6 onder.

Als je de hele tijd actief en enthousiast staat te coachen, worden de spelers daar vanzelf doof voor

Bij middelgrote partijen kies ik ervoor om de volledige lengte van het veld te gebruiken. Je wilt immers wel dat de spelers in de tachtig tot negentig procent versnelling komen. Stel dat ik een doel op de zestienmeter zet. De keeper gaat daar dan weer zestien meter voor staan en als hij enigszins goed meevoetbalt al snel een meter of twintig. De afstanden zijn dan niet meer representatief voor de prikkel die je wilt behalen. Ik doe concessies in de breedte van het veld. Het veld is meestal aan de smalle kant. Zou ik het veld ook nog breed maken, dan is het niet te belopen voor de spelers.

Ik doe de sprints met weinig rust geregeld droog. Dat vinden de spelers meestal niet leuk, maar dat is ook een kwestie van gewenning. Als je het droog doet, zijn de spelers er ook zo mee klaar. Wanneer ik de sprints met weinig rust in een oefenvorm doe, kies ik meestal voor een afwerkvorm. De rust tussen de sprints is maar tien seconden, dus de spelers moeten direct achter elkaar door kunnen. Een trainingsvorm die daar met meerdere keepers geschikt voor is, is drie grote doelen met keeper op een meter of dertig van elkaar zetten met de opening dezelfde kant op. Spelers sprinten dan naar het eerste doel en werken af, vervolgens wandelen ze naar het tweede doel waar ze weer sprinten en afwerken. Op de terugweg doen ze de sprints droog voor zichzelf.

Een andere optie is het ‘boter kaas en eieren-spel’. Bij dit soort vormen is de organisatie vooraf erg belangrijk. Ik heb hiervoor bijvoorbeeld al drie man nodig. Eén trainer die bij het spel staat en bij beide groepen iemand die goed klokt of de spelers op tijd beginnen. Die luxe heeft niet iedereen. Teams die dat niet hebben, zou ik aanraden om de sprints droog te doen.

Waar mogelijk houd ik rekening met mijn speelwijze bij het doen van de sprints. Zo willen wij dat onze linker flankspeler in de ruimte aan de zijkant van het zestienmetergebied uitkomt om daar de eindpass te geven. Ik kan dan een pion op 25 meter van die ruimte zetten en mijn assistent-trainer een bal in die ruimte laten spelen. Dan heb je toch een sprint die je ook in de wedstrijd wilt zien. Met het andere deel van de selectie doe ik de sprints dan droog. Ik gebruik een schema waarin ik noteer in welke cyclus ik met welke spelers iets individueels wil doen. Dat zijn de jongens die met mij dan de wedstrijdspecifieke sprints doen.’

Knelpunten

Een oneven aantal spelers
‘De wisselspelers doen bij deze vormen loopjes aan de zijkant. Bij een oneven aantal spelers wissel je dan bijvoorbeeld vijf spelers in plaats van zes. Daarnaast is het bij middelgrote partijen al een stuk aantrekkelijker om de sprintjes naast het veld te doen. Bij de grote partijen van week 1 en 2 gaat het om blokken van minstens tien minuten, hier is dat nog maar een minuut of vier. De intensiteit van de sprints ligt ook hoger. Spelers versnellen nu naar tachtig tot negentig procent. Daarnaast zijn de afstanden van de intervallopen juist korter. Dit zorgt ervoor dat je er een leukere stroomvorm van kunt maken.’

Je hebt geen assistent-trainer
‘Ik doe de sprintjes dan droog. Ik ben niet in de positie om de spelers een individueel aanbod te geven wanneer ik geen assistent-trainer heb. Dan wordt de kwaliteit dus minder. Je zou eventueel nog enkele spelers een individueel aanbod kunnen geven. Je moet dan als trainer wel zelf de bal voor die sprints in kunnen spelen en oog kunnen houden op de rest van de groep die de sprints droog doen. Enkele spelers kunnen dan ook nog afwisselen tussen de droge sprints en het individuele aanbod, zodat er meerdere spelers aan de beurt komen. De vraag is alleen of dit ook in de praktijk lukt. Sprints met weinig rust moeten immers binnen tien seconden nog een keer. Zelfs in een afwerkvorm is het al lastig om dat voor elkaar te krijgen. Bij sprints met veel rust in week 5 en 6 is dat wat makkelijker.’

 
Week 5 en 6

‘Bij de kleine partijen 3:3 en 4:4 van week 5 en 6 kies ik vaak voor een vorm met vier teams. Twee teams spelen 4:4 + keepers, de andere twee teams staan als kaatsers buiten het veld. Deze vorm spelen wij ook zeker in 3:3 + keepers. De vorm is nu immers eigenlijk 5:5 als de keepers meegenomen worden. Qua aantallen is het echter vaak lastig om 3:3 + keepers te spelen, zeker als ik daar de inzet van de kaatsers en de minuten rust bij meeneem. Mijn redenering is dat het vier veldspelers tegen vier veldspelers is. De rol van de keeper is zeer beperkt in deze vorm, vandaar dat ik hem niet meereken. De keeper zal de conditionele prikkel dan ook niet halen (afbeelding 6).’

Trainingsvorm 4: In het centrum is het 4:4 + keepers. Er staan acht neutrale spelers om het veld. Afhankelijk van de doelstelling deelt de trainer de neutrale spelers in bij de rode of blauwe partij.


‘Afhankelijk van de doelstelling kies ik ervoor om de kaatsers aan de onder- of bovenkant bij Team A of Team B te doen. Stel dat ik wil trainen op het drukzetten, dan zet ik de vier kaatsers die op de helft van blauw staan bij de blauwe partij. De kaatsers staan op dat moment in de positie van een back en een centrale verdediger. De spitsen van rood moeten daardoor weer positie kiezen tussen beide spelers en de bal naar de as toe dwingen. De kaatsers staan laag, dus blauw heeft achterin een overtal. De kaatsers aan de andere kant horen echter bij rood. Voor blauw is de enige afspeelmogelijkheid dus door de as. Daardoor kom ik vaak in de situatie die ik wil trainen.

Ik kan de kaatsers ook omdraaien. De kaatsers op de helft van de rode ploeg horen dan bij blauw. Wanneer ik dat doe, stimuleer ik meer het door de linies spelen of het zoeken van de derde man. Door op deze manier te schuiven met de kaatsers kan ik binnen dezelfde partijvorm verschillende doelstellingen trainen. Het enige nadeel van deze kleine aantallen is natuurlijk wel dat je bijna niet meer vanuit een bepaalde formatie kunt trainen. Ik vind dat je als trainer moet kijken welke voetbalhandeling je wilt trainen en op basis daarvan een vorm moet maken die daar het beste bij aansluit.

Door op deze manier te schuiven met de kaatsers kan ik binnen dezelfde partijvorm verschillende doelstellingen trainen

In de eerste weken wordt in deze kleine partijtjes één minuut spelen en één minuut rust afgewisseld. Op dat moment is de vorm relatief eenvoudig: de kaatsers en de spelers in het veld wisselen telkens na één minuut. Dit wordt lastiger naarmate de tijden langer worden. Bijvoorbeeld als de spelers twee minuten spelen en vervolgens maar één minuut rust hebben. Op dat moment kun je ervoor kiezen om twee organisaties uit te zetten. Een organisatie met keepers en een organisatie met pupillendoeltjes waar weer vanuit een pass gescoord moet worden. Je komt dan meer in een toernooivorm terecht. Doordat de kaatsers wegvallen wordt het wel echt een partij 4:4 + keepers. De tactische doelstelling wordt op dat moment wel beperkt. Het komt dan weer aan op je principes: vind je het belangrijker dat je tactische principes gehandhaafd blijven of dat de spelers de prikkel halen?

De vorm met de kaatsers zorgt er daarnaast voor dat ik redelijk flexibel ben qua aantallen. Stel dat er ineens een speler wegvalt, dan zet ik aan een van de zijkanten een neutrale speler neer die bij beide teams hoort. De enquêtes die de spelers invullen aan het begin en eind van de training komen hierbij terug. Stel dat een speler aangeeft niet volledig hersteld te zijn, dan laat ik hem niet alle rondes meedoen. Een speler die aangeeft volledig hersteld te zijn, speelt dan een ronde extra. Ik houd de methodische stappen van het model van Verheijen dus wel aan, maar ik stem dat af op de individuele behoefte. Ditzelfde doe ik wanneer ik een oneven aantal heb, bijvoorbeeld drie teams van vier en één team van drie. Een speler die aangeeft weinig vermoeidheid te ervaren laat ik dan nog een extra ronde spelen bij het team van drie.

In de minuut rust probeer ik, net zoals bij de andere vormen, in te gaan op onze tactische principes. Zeker omdat de aantallen kleiner worden gaan spelers het meer zien als een partijtje. In de minuut rust probeer ik ze de situatie te laten herkennen om ervoor te zorgen dat er wel vanuit onze intenties gespeeld wordt. Daarnaast houden wij zeker bij deze kleine partijtjes altijd de stand bij om de intensiteit te bevorderen.

Belangrijk is dat de kaatsers altijd bij een team horen. Er zijn dus twee teams en een deel van het team staat in het veld en het andere deel is kaatser. Wanneer je vier teams maakt, merk je toch dat de kaatsers minder geconcentreerd zijn, omdat de uitslag geen effect op hen heeft. Daarnaast is het doorwisselen wanneer een speler een potje minder doet makkelijker. Je hoeft de hesjes niet te wisselen en de indeling van de teams verandert niet.

De ballen worden uitgenomen door de keepers. Belangrijk is wel dat dit binnen de tijd gebeurt. Duurt het te lang, dan laat ik mijn assistent-trainer vanaf de zijkant ballen inspelen. Ik hanteer de regel dat de keeper maximaal drie seconden de bal aan zijn voet mag hebben, daarna moet hij weer in het spel zijn. Als de keeper tien seconden de bal bij zich heeft, dan is dat meteen een zesde deel van het partijtje dat wegvalt.

Bij sprints met veel rust zet ik de afstanden weg in een sjabloonvorm of ik kies ervoor om het droog te doen. Bij sprints met veel rust heb je relatief veel tijd tussen de herhalingen. Bij de laatste sprints van 25 meter zit er een minuut tussen. Je komt dan in ongeveer dezelfde vormen als bij de EVV. In de rust pak ik dan een positiespel of een pass- trapvorm die in relatie staat tot mijn speelwijze. Geregeld zet ik ook twee vormen uit, waarbij de afstand tussen de vormen de afstand is die de spelers moeten sprinten. De spelers spelen dan een rondo waarna ze de sprint afleggen en in het volgende vak direct weer verdergaan.

Ik kies hierbij eigenlijk altijd voor vormen waarbij het hele elftal tegelijkertijd de sprint aflegt. De vormen van Verheijen waarbij er twee spelers tegelijk sprinten en vervolgens 1:1 spelen zijn mooi, maar in de praktijk vaak niet haalbaar. In het amateurvoetbal is het erg lastig om de tijd te bewaken tussen de sprints doordat je vaak maar maximaal één assistent hebt, waardoor de rust vaak te lang of te kort wordt. Daarnaast is het vaak zo dat spelers die zien dat de ander eerder bij de bal is, ophouden met sprinten, waardoor ze niet de volledige afstand afleggen. Wanneer de spelers naar een nieuwe rondo moeten sprinten en ik zeg dat de laatsten in het midden moeten, dan sprinten ze allemaal vol door.’

Knelpunten

Teams spelen steeds tegen hetzelfde viertal
‘Aangezien de teams steeds beide doorwisselen spelen Team A en Team B steeds tegen elkaar en Team C en Team D. Het kan dan gebeuren dat spelers gaan mopperen omdat ze ook eens tegen de andere teams willen spelen. Als dat gebeurt, kun je in de rust tussen de series de teams omwisselen. De rust is dan wat langer waardoor de spelers weer hersteld zijn. Je hebt dan wat meer vrijheid in het doorwisselen.’

Te veel spelers
‘Wanneer je meer dan zestien spelers hebt, kom je niet uit met viertallen. Een speler moet dan weer iets individueels gaan doen. Dat is in deze week nog weer makkelijker, aangezien het maar een minuut is. Daarnaast hoeft een speler dat maar een keer te doen. Het zijn twaalf potjes en je wisselt de extra speler steeds door.’

Dit artikel is verschenen in De Voetbaltrainer 268.

Relevante producten:

Voorbereidingsperiode senioren

Voorbereidingsperiode jeugd

E-learning Periodiseren

E-book Periodiseren en fysieke training