Dit stuk bevat passages uit een groter artikel uit De Voetbaltrainer 283.
Lars van Halteren is trainer van Alphense Boys onder 14, Hoofd Jeugdopleiding bij SV Nieuwkoop en werkzaam bij Voetbalopleidingscentrum.nl uit Alphen aan den Rijn. Met Alphense Boys onder 14 eindigde hij op een knappe derde plaats in de landelijke Tweede Divisie. Van Halteren vertelt aan De Voetbaltrainer hoe hij het voetbalspel wegzet in een periodisering die is gebaseerd op 1:1-situaties. Dit is tevens het eerste artikel van de special over het thema Individuele Ontwikkeling (bij zowel jeugd als senioren), waarmee de volgende editie van dit vakblad vrijwel geheel gevuld is!
Van 11:11 naar 1:1
Lars van Halteren: ‘Ik heb heel veel jeugdwedstrijden gezien en gecoacht en ik ben tot de conclusie gekomen dat voetbal een van de moeilijkste sporten is. De bal is altijd vrij, je mag de bal niet vastpakken en het is een doorlopende sport in tegenstelling tot bijvoorbeeld honkbal waar het steeds starten en weer stoppen is. Ik heb me toen afgevraagd hoe ik spelers in dit soort chaotische situaties toch handvatten mee kan geven. Via het Voetbalopleidingscentrum van Dennis van den IJssel ben ik in contact gekomen met de drie richtingen van een 1:1-situatie: frontaal, rugwaarts en zijwaarts. Vanaf dat moment ben ik de complexe 11:11-situatie gaan vereenvoudigen naar 1:1. Wanneer je domineert in de 1:1 wordt de wedstrijd een stuk makkelijker. Bij 1:1 frontaal sta je met je gezicht naar het doel van de tegenpartij en tussen jou en het doel staat een tegenstander. Bij het spelen van 1:1 zijwaarts heb je de tegenstander naast je. De thema’s fron- taal en zijwaarts komen samen bij het thema rugwaarts. Bij frontaal en zijwaarts kun je scoren, bij rugwaarts in principe niet. Je kunt een kwartslag draaien, waardoor je in zijwaartse positie komt.’
Algemene uitgangspunten
‘Er zijn een aantal punten in elk thema die ik met de hele groep doorneem. Bij 1:1 frontaal begint het met een dribbel. Die dribbel moet op een goede snelheid worden uitgevoerd. Spelers hebben vaak de neiging om op zestig procent op een tegenstander af te dribbelen. Dat is heel veilig, omdat je altijd controle over de bal houdt. Het zorgt er echter ook voor dat de kans dat je de tegenstander passeert kleiner wordt. Die dribbel moet op negentig procent zijn. Vervolgens is het in principe passeren met buitenkant voet. Dan is de bal immers altijd tussen jou en de tegenstander. Daarna neem je de bal binnenkant voet weer mee om de tegenstander af te snijden. Ook hier geldt dat het om functionaliteit gaat. Wanneer een speler zijn actie net iets te vroeg inzet of het liever met de buitenkant van zijn voet doet, ga ik niet zeggen dat hij dat niet meer mag doen. Tijdens de dribbel moet de aanvaller naar de voeten van de verdediger kijken. Wanneer de verdediger uitstapt, kan hij niet meer van richting veranderen. Staat de tegenstander ingedraaid, dan weet je direct of hij links- of rechtsbenig is.’
Oefenvorm
- De rode spelers moeten proberen om door een van de poortjes te dribbelen.
- De rode speler in het onderste vak begint met de bal en speelt een van zijn teamgenoten in.
- De rode speler blijft in het vak.
- De blauwe spelers mogen de rode speler in het vak onder druk zetten.


Leer van de beste trainers
- Acht keer per jaar op de mat
- Interviews, oefenstof en analyses
- Korting op online cursussen
- LCD Tactiekbord Voetbal cadeau
- Inclusief abonnement op CoachVak
- Inclusief abonnement op VBT Basis