Ooit kwam Bruno Martins Indi als een nobody met een grote mond binnen bij Spartaan’20. Als hij tegenwoordig terugkomt bij zijn eerste club, is hij een bescheiden voetbalheld. Zijn eerste jeugdcoach Ricardo Willemse had niet trotser kunnen zijn op zijn beroemde pupil. Een verhaal Een gesprek (gedeeld door Van.zelf.nl/jijleeft, het inspiratieplatform van verzekeraar Zelf) over kwajongensstreken en doorzettingsvermogen.
Hoe was uw eerste kennismaking met Bruno Martens Indi?
“Dat weet ik nog als de dag van gisteren. Zo’n veertien jaar geleden hadden we op één ochtend zo’n honderd potentiële nieuwe jeugdspelers op bezoek. Allemaal keurig in tenue, met hun splinternieuwe voetbalschoenen al aan. Bruno stond daar met z’n afgetrapte gympies midden tussen de groep en had meteen het hoogste woord. ‘Ik ben de man van de straat’, verkondigde hij luid. Dat straalde hij ook wel uit. Bruno was toen al enorm groot en sterk en met zijn brede lach en grote ogen viel hij al van een kilometer afstand op. Al die andere kinderen stonden hem met open mond aan te staren.”
En dat liet u zomaar gebeuren?
“Nee, natuurlijk niet. Ik heb hem toen meteen uitgelegd dat we bij Spartaan’20 aan voetbal deden en niet aan straatvoetbal. De volgende keer dat ik hem zag, had hij voetbalschoenen bij zich. Daar heb je meteen de grootste kracht van Bruno te pakken: hij blijft altijd zichzelf, maar staat wél open voor kritiek en advies. Dat was toen al zo en volgens mij is dat nog steeds zo.”
Is hij bij Spartaan’20 altijd die man van de straat gebleven, of is dat er snel uit gegaan?
“Het grappige is dat hij zichzelf vooral een man van de straat vond. Qua achtergrond en karakter klopte dat ook wel, maar als voetballer was hij dat juist helemaal niet. Ook al trapte hij elke dag een balletje op straat, hij is nooit een voetbaltechnisch wereldwonder geweest. Bruno moest het toen al hebben van zijn snelheid, zijn kracht en een goed linkerbeen. Een typische veldvoetballer en een typische verdediger dus. De ondeugende trekjes en de grote mond zijn nog wel een tijdje gebleven. Maar ik heb me er nooit echt aan gestoord. Bruno was altijd vrolijk en als trainers moesten we vooral altijd hard lachen om zijn streken. Al konden we dat toen natuurlijk niet laten merken. Ik probeerde wel streng over te komen.”
Hoe was de rol van zijn ouders daarin?
“Zijn moeder ken ik niet zo goed, maar volgens mij moedigde zijn vader het wel aan dat Bruno goed voor zichzelf opkwam. De eerste keer dat ik Bruno aan de telefoon had om afspraken te maken over zijn trainingen en wedstrijden, hoorde ik senior op de achtergrond in het Engels roepen dat hij om rugnummer 10 moest vragen. Dat nummer droegen de internationale vedettes toen namelijk allemaal.”
Zag u meteen aan Bruno dat het wel eens een grote jongen in de voetbalwereld zou kunnen worden?
“Hij heeft niet alleen mij verbaasd, maar iedereen bij de club. Ik zou natuurlijk veel interessanter overkomen als ik nu zou roepen dat ik het talent altijd in hem heb gezien, dat Bruno als een ongeslepen diamant binnenkwam en dat ik hem heb geholpen om te komen waar hij nu is. Maar de waarheid is dat hij het helemaal zelf heeft gedaan. Ik zag hem de eerste jaren niet eens als één van de beste spelers van zijn team. Ik was dan ook verbaasd dat hij gescout werd door Feyenoord. Maar Bruno is het levende bewijs dat kracht, snelheid en een flinke dosis werklust je even ver kunnen brengen als een fluwelen traptechniek en een onuitputtelijke trukendoos. “
Ook bij Feyenoord ging het met Bruno niet vanzelf. Ook in de jeugdopleiding kwam het niet bepaald aanwaaien, toch?
“Het klopt dat hij zijn talent ook daar pas jaren later in volle glorie etaleerde. Maar dat had niet zoveel met het voetballen zelf te maken. Bruno hing veel op straat rond en had foute vrienden, die niet bepaald het beste met hem voor hadden. Bij Feyenoord hebben ze net op tijd aan de bel getrokken en hem ervan overtuigd alles op het voetbal te gooien. Gelukkig voor hemzelf, heeft hij daar heel goed naar geluisterd. Vanaf dat moment waren de problemen in de jeugdopleiding ook voorbij en nam zijn carrière een enorme vlucht. Maar als hij toen minder sterk in zijn schoenen had gestaan, zat hij nu misschien wel in de bak in plaats van in Brazilië.”
En nu is hij 22 jaar en opeens een vaste waarde in Oranje. Hoe trots bent u op hem?
“Ongelooflijk trots natuurlijk! En ik niet alleen. Als er in de kantine van Spartaan’20 een wedstrijd van Feyenoord of het Nederlands elftal op staat, dan letten we met z’n alleen 90 minuten lang alleen maar op Bruno. Hij hoeft maar een pass over 3 meter in de voeten te geven en iedereen staat al te juichen. Ik moet ook eerlijk toegeven dat ik tijdens elk gesprek dat ik met vrienden of zelfs met onbekenden heb over het Nederlands elftal even moet zeggen dat ik de eerste trainer van Martins Indi ben geweest. Dat is niet heel bescheiden, maar ik ben er gewoon trots op. Maar ik zeg er ook altijd eerlijk bij dat hij zelf verantwoordelijk is voor zijn succes, hoor.”
Zelfs Manchester United, de nieuwe club van Van Gaal, heeft blijkbaar interesse in hem. Hoe ver kan hij in uw ogen komen?
“Hij heeft nog niet de status van wereldster, zoals bijvoorbeeld Robin van Persie en Arjen Robben. En voor een verdediger is het ook niet zo gebruikelijk om zo’n idool te worden. Maar als hij nu een goed WK speelt en Van Gaal neemt hem inderdaad mee naar Manchester, dan zou hij zomaar eens de uitzondering kunnen worden die de regel bevestigt. Ik hoop het echt van harte. Als er één voetballer is die ik het gun, dan is het Bruno.”
Ziet u hem nog wel eens bij Spartaan’20?
“Hij komt niet meer wekelijks bij de club, zoals bijvoorbeeld Jetro Willems van PSV, die nog altijd tegenover ons sportpark woont. Maar als hij tijd heeft, dan zien we hem nog wel, hoor. Het mooie is dat Bruno dan heel bescheiden is, alsof hij niet begrijpt waarom hij nu voor ons een held is. Dan is hij bijna verlegen als iedereen hem even een hand wil geven of een praatje wil maken. Dat geeft misschien wel het beste aan hoe sterk hij zich als persoonlijkheid heeft ontwikkeld. Hij kwam binnen als een nobody, maar wel met een grote mond. En nu is hij een topvoetballer die zich overal heeft bewezen, maar nu is hij bescheiden. Ik denk dat deze ontwikkeling mij nog trotser maakt dan zijn ontwikkeling als voetballer.”
Heeft u nog een laatste gouden tip voor Martins Indi voor het komende WK?
“Als voetballer heeft hij inmiddels bekendere en betere trainers dan ik. Daar kan hij ongetwijfeld veel meer van leren. Ik hoop gewoon dat hij met beide beentjes op de grond blijft. Dat hij niet uit zijn positie gaat lopen, zijn werk voor het team blijft doen en zich binnen het Nederlands elftal als dezelfde bescheiden jongen opstelt als tegenwoordig bij Spartaan’20. Maar ik denk niet dat hij dat nog van mij hoeft te horen. Bruno is nu veel te verstandig om dergelijke dingen te verprutsen. Met of zonder tips van mij: ik weet zeker dat we hem in Brazilië van zijn beste kant gaan zien.”