‘Een kijkje buiten de voetbalsport kan heel leerzaam zijn.’ De oproep binnen de redactieraad die De Voetbaltrainer in het voorjaar van 2012 bijeen riep, was duidelijk. En dus gingen we aan de slag. Tjerk Bogtstra is tennistrainer en vergaarde vooral bekendheid in de periode 2001-2006, toen hij captain was van het Davis Cup-team. Tegenwoordig heeft hij een academievoor tennistalenten. Aanleiding om met Bogtstra te praten over talentontwikkeling in de tennissport, en de rol die de trainer daarbij inneemt. Een fragment uit het artikel:
Geen motivator
Nu we hebben vastgesteld aan welke voorwaarden een talent moet voldoen, komen we bij u als trainer-coach. Wat is uw rol?
Tjerk Bogtstra: “Als trainer ben ik een inspirator, maar ik ben er niet om de speler te motiveren. Als jij niet gemotiveerd bent, moet je hier niet eens naar binnen lopen. Je komt hier om wat te halen en om beter worden, maar niet om gemotiveerd te worden. Dat laat onverlet dat we door de inhoud van onze trainingen de speler uiteraard wel degelijk enthousiast maken. Maar dat is ‘inspireren’, enthousiast maken doordat je de omstandigheden creëert. De motivatie om er alles uit te halen, moet hijzelf hebben.
Het is mijn taak als trainer-coach om te zorgen voor goede topsportsfeer. Dat vind je vooral terug in de regels en de afspraken die we hebben. Dat klinkt wat schools, maar we vinden dat alles tijdens de trainingen gericht moet zijn op het behalen van progressie. Dus je focust je totaal op het tennis. Daarin kunnen spelers elkaar beter maken en stimuleren. Je accepteert bijvoorbeeld niet dat je trainingsmaat zo maar een bal tweemaal laat stuiteren. Als iemand van mijn school een goed resultaat haalt, dan moet een ander dat ook als een stimulans ervaren. Het is juist mooi als iemand anders het goed doet, want dan wil jij het nog beter doen. Die sfeer moet je creëren.
Ik moet een speler bewust maken van de weg die hij nodig heeft om zijn top te halen. Heel vaak zitten de obstakels in de mentaliteit. Een spelertje dat een punt verliest door een dubieuze beslissing van de scheidsrechter, en vervolgens zó van slag is dat hij de volgende drie ballen in het net slaat. Vaak heeft zo’n speler dit zelf niet eens in de gaten. Dus je vertelt hem dat rustig: ‘Kijk nu eens wat er gebeurde. Je nam dat ene momentje de hele game met je mee.’ Eerst bewust maken, daarna kun je het trainen. Dan ga je spelers vaker met tegenslag confronteren en leer je ze om in het ‘hier en nu’ te leven. Dan kun je ook met sancties werken. Gaat iets mis, dan tien keer opdrukken. En dan ga je uitdagen en prikkelen. Dan zeg je dat hij niet goed opdrukte. En dat het opnieuw moet. Elkaar irriteren hoort bij weerbaar maken en dus bij topsport. Je moet leren om geïrriteerd te zijn en toch weer een hoog niveau te halen.”Lees het complete verhaal in de printuitgave van De Voetbaltrainer 191.