VT198: Jan Wouters: Kansen en bedreigingen in 1:4:4:2

nldevoet-dehdari

3 min leestijd

eerste training fc utrechtWie zich de voetballer Jan Wouters herinnert, kent hem als de ultieme balansbewaker in een elftal. Zonder zelf veel aan de bal te hoeven komen, zorgde de centrale middenvelder ervoor dat de radertjes in een team in elkaar vielen. Wouters staat als trainer niet direct om zijn spraakzaamheid bekend, maar blijkt een boeiend verteller wanneer we met hem praten over tactische kwesties in een 1:4:4:2-formatie. De Voetbaltrainer nam de wedstrijd Vitesse-FC Utrecht en drie trainingen van de ploeg uit de Domstad als uitgangspunt. Doorjagen We hebben de verdedigende accenten teruggezien in uw training in een vorm waarin 8:7 gespeeld werd en waarbij het overtal moest doorjagen. Jan Wouters: “In die vorm hameren we vooral op het druk zetten in een vroegtijdig stadium. Uiteraard trainen we ook dat vooral in de grote partijvormen. Concreet hebben we het dan primair over het doorjagen op de keeper als je bezig bent met druk zetten. Belangrijk is dan dat je weet of het een linkspoot is of een rechtspoot. Hij zal de bal naar een centrale verdediger willen spelen. Wat voor type speler is dat? Daar moet je op anticiperen. Met het doorjagen op de keeper dwing je hem tot een moeilijke voortzetting. Bij keepers die willen blijven voetballen, hebben we daarmee ook succes gehad. Denk aan de situatie met Kenneth Vermeer tijdens FC Utrecht-Ajax van 2011, toen Vermeer onder grote druk de bal inleverde waardoor Asare kon scoren. Dat is een sprekend voorbeeld van hoe we het graag willen zien. Vaak wordt gezegd: speler X is de slechtste opbouwer, dus daar mag de tegenstander de bal naartoe spelen. Dat vind ik een discussie waard. Ik wil soms liever dat de beste opbouwer aangespeeld wordt, althans als dit een speler is die de oplossing graag in de combinatie zoekt, in een kleine ruimte. De slechte opbouwer zal daarentegen vaak voor een lange bal kiezen. Als wij met veel mensen hoog spelen, wil ik liever geen lange bal over al die spelers hebben. Je moet met z’n allen omschakelen en weer achter die lange bal aan jagen. Dan heb ik liever combinatiespel van een tegenstander in een kleine ruimte waar wij met veel spelers present zijn. Nodig die goede opbouwer maar uit om in die kleine ruimte de oplossing te zoeken. Als trainer kies ik tijdens de partijvormen graag voor een positie in het veld. Soms loop ik wel eens in de weg, maar ik wil graag dezelfde situatie voor me zien als de spelers. Ik wil ook de lijnen zien, ik wil ook de afstanden ervaren. Dus ik loop vaak achter mijn eigen verdediging om het geheel waar nodig aan te sturen. Dat laatste doe ik vooral begeleidend. Je hoeft niet altijd het spel stil te leggen.” Lees het complete artikel in de printuitgave van De Voetbaltrainer 198. De trainingsvormen uit het artikel verschijnen in de mediatheek van De Voetbaltrainer.